Interview Ilja Leonard Pfeiffer

‘Mensen die durven te mislukken, zijn mij oneindig veel liever’

Interview Ilja Leonard Pfeijffer koos voor het geschenk van de Poëzieweek de strenge vorm van de sonnettenkrans – niet eerder in het Nederlands gedaan. Al puzzelend schetste hij het probleem van de liefde. Ingewikkeld? Hij wil het best even uitleggen.

Door: Arjan Peters 24 januari 2015, 01:00

Goed jaar achter de rug, dacht Ilja Leonard Pfeijffer (47) bij zichzelf, toen hij op 31 december 2014, op reis in Barcelona, eens terugkeek. Het leek wel oogsten; na vijftien jaar poëzie, romans, columns, songteksten en toneel te hebben geschreven won hij op 13 mei 2014 de Libris Prijs voor zijn roman La Superba, waarin zijn woonplaats Genua met zwier wordt opgeroepen.

Poezieweekgeschenk

‘Genomineerd worden voor een grote prijs, dat kende ik al. Maar het maakt veel verschil als je hem dan ook een keer wint’, zegt de content ogende tweelingbroer van Michiel de Ruyter, die de pers een dagje te woord staat aan een tafel van zijn voormalige stamlokaal Burgerzaken in het centrum van Leiden, de stad waar hij tot graecus promoveerde en waar hij woonde totdat hij in het voorjaar van 2008 besloot naar Rome te fietsen, om in Genua te blijven plakken. ‘Van collega’s had ik het al begrepen dat zo’n prijs veel betekent, maar het was nog meer dan ik had kunnen bedenken. Geen van mijn boeken was ooit in de buurt gekomen van de CPNB-top 60 met de best verkochte boeken, meestal dieetboeken en biografieën van voetballers. Maar ja hoor, in de week nadat La Superba de Libris Prijs won, kwam het boek op nummer 3 de lijst binnen. Een hele nieuwe groep lezers heb ik daarmee kunnen bereiken.

Iets met liefde

‘Een voordeel is dat ik niet meer alles hoef aan te pakken. Voorlezen is altijd leuk, maar ik ga niet meer voor een fles wijn en een teddybeer naar een zaaltje als Perdu in Amsterdam. Eindelijk kan ik me beperken tot de wat chiquere optredens. ‘Maar dit was een zo mooie opdracht, dat ik die óók aannam. Het thema moest iets met liefde zijn; zo welomschreven was de opdracht. Ik liep al langer met het idee rond om een keer een sonnettenkrans te maken: een cyclus van vijftien sonnetten, je werkt toe naar het slotgedicht dat bestaat uit alle voorgaande beginregels. Perfecte vorm om als apart boekje uit te brengen.’ Hij zou weleens de eerste Nederlandse dichter kunnen zijn die zich aan de sonnettenkrans waagt. In sommige literatuurgeschiedenissen wordt de Mathilde-cyclus van Jacques Perk (die in 1881 overleed) een sonnettenkrans genoemd, maar dat is onjuist. ‘Perk schreef gewoon een stuk of honderd sonnetten over Mathilde. Hele goeie. Maar een krans is dat niet. Ik heb eigenlijk geen voorbeeld kunnen vinden. Tot zich iemand bij mij meldt, kan ik volhouden dat ik de eerste sonnettenkransdichter van Nederland ben.

Vormvaste verzen

‘Een ongewone keuze misschien, zo’n strakke vorm. Vrije verzen zijn hier de norm, sinds de Vijftigers. Vormvaste verzen zijn de avant-garde van heden. Wat dat betreft, is er weinig veranderd sinds Gerrit Komrij in 1968 ineens met een vormvaste bundel debuteerde. ‘Ik gebruik de sonnettenkransvorm voor een cynische cyclus van de liefde: begeren, beminnen, verliezen, missen en dan wordt dat missen weer een nieuw soort begeren. Rond. Net als in het Italiaanse kinderliedje Giro giro tondo, casca il mondo: het lied zingt rond, terwijl de wereld aan stukken valt. ‘De vorm maakt het mogelijk om stapje voor stapje te laten zien hoe zo’n relatie gaat. Het schrijven verliep chaotischer. Je zit aan een rijmschema vast, en als je een verkeerd rijmwoord kiest, heb je daar vijftien gedichten last van. Het is simultaan schaken op vijftien borden.’

Twintig keer herschreven

‘Een van de rijmwoorden is gebakje. Dat hoort toch niet? ‘U bedoelt dat het taartje moet zijn? Vanwege mijn Haagse achtergrond ken ik de controverse, maar ik meen me te mogen permitteren me daar niks van aan te trekken. Ik vind gebakje niet ongepast. ‘Het is leuk, zo’n puzzel, maar vervolgens is het ook mijn taak niet te veel te laten merken dat ik het leuk vind. De vorm moet onopvallend worden, natuurlijk ogen. Hardop lezen kan daarbij helpen, hoewel ik het ritme en de klank ook hoor zonder mijn lippen te bewegen. ‘Vormvast dichten is ook een valkuil, want zodra je aan de vormeisen hebt voldaan, ga je denken dat je er bent. De puzzel is opgelost, ja. Maar is het ook een goed gedicht, of een goede cyclus? Sommige gedichten heb ik twintig keer herschreven.

Het angstaanjagend knusse Leiden

‘Een maand fulltime werken was het, thuis in Genua. Waar niemand Nederlands spreekt of verstaat, wat het me nog iets makkelijker maakt om me af te sluiten. Ver van het angstaanjagend knusse Leiden. Of ik het mis, schrijvers om me heen, om het over schrijven te kunnen hebben? Dat is een misverstand. ‘Met schrijvers heb ik nooit over schrijven gepraat. Met Gerrit Komrij, die een vriend van me was, nam ik dikwijls alle auteurs van Nederland door, in alfabetische volgorde, van Alberts tot Zwagerman, maar dat waren roddels en geen gesprekken over het metier. Dichters praten nooit over dichten. Dichters praten alleen maar over geld.’ Als zo vaak tevoren schreef Pfeijffer opnieuw over een man die door een stad dwaalt en denkt aan een vrouw, van wie niet duidelijk is of ze alleen in zijn fantasie bestaat. ‘Meestal kan ik me haar beter fantaseren dan me op een bestaande vrouw baseren’, zegt de schrijver, die rond half één ’s middags de eerste pils laat doorkomen.

 

Werkelijkheid of fantasie?

Een romantisch thema, de aanbeden vrouw die misschien alleen droom is. Maar ook heel eigentijds, door de virtuele realiteit van internet, en Facebookprofielen waarop men een beeld van zich kan geven dat misschien geheel verzonnen is. ‘Op elke website wist ik jou te heten./ Daar was je Foxxy, Peachez, Roxxy Love,/ Ivana Fuckalot of Trixxie Dove,/ We hebben samen zoveel tijd versleten,// met ixen scheel als exen in je namen.’ ‘Actueler dan ooit, lijkt me zelfs, zo’n thema over wat nou werkelijkheid is en wat fantasie. In Big Brother konden we destijds zogenaamd het ongefilterde ware leven betrappen, terwijl dat programma tot in de puntjes was geregisseerd. Dat fascineert me, het dringt namelijk door tot in alle facetten van het dagelijks leven. We hebben politici die tot in de vingertoppen gespindoctord worden om spontaan over te komen.

Authenticiteit

‘Authentiek zijn is problematisch geworden. Je komt authentiek over als je lijkt op anderen. Ik heb het in mijn eigen leven meegemaakt: kreeg ruzie met een vriendin, en het allereerste wat in dan in je op komt, zijn zinnen uit films of uit series. Hollywoordzinnen. Dat is dan kennelijk je meest spontane manier van reageren op een vrij emotionele situatie. ‘Als je toevallig níet zo reageert als in de film, omdat je bijvoorbeeld zo boos of verdrietig niet bent, en je uit dat eerlijk, dan komt dat erg onauthentiek over. Je moet zo reageren als in de film, want dat is echt. ‘Voor een schrijver is die onzekerheid natuurlijk prachtig. In literatuur kun je laten zien en onderzoeken hoe dat onderscheid tussen fictie en werkelijkheid steeds vager wordt.’

En dan dicht hij: ‘Wat liefde heet te heten, is wat scheelt/ aan wat er is nadat het is begonnen.’ Drie keer gelezen, zonder het te snappen. Wel steeds duizeliger geworden. ‘Goed om te horen, want dat moet ook. Om de grote filosoof Johan Cruijff te citeren: ‘Als ik had gewild dat je het had gesnapt, had ik het beter uitgelegd.’ Die regels zijn opzettelijk ingewikkeld geformuleerd, want zulke gedachten héb je als je in die situatie zit. ‘Een poging tot uitleg, want ik ben de kwaadste niet: het gaat er om dat wat liefde is, of wat normaal gesproken liefde wordt genoemd, is wat ontbreekt, wat er niet is, nadat het is begonnen. Zodra de liefde is begonnen, is wat er níet is, dát is wat mensen altijd liefde noemen.

Voorstelling en werkelijkheid

Het ideaal is dus juist datgene wat er ontbreekt

‘Het ideaalbeeld van de liefde is zo’n tandpasta-reclame, een gezinnetje dat in zonneschijn elkaar speels op de neus tikt, ’s ochtends al volop glimlachend. Dat is wat liefde heet te heten. Nou, en dat is precies wat er níet is, nadat je je relatie bent begonnen. Het ideaal is dus juist datgene wat er ontbreekt.
‘Daar gaan we weer: er is altijd een discrepantie tussen wat je je ergens van voorstelt, en de realiteit. Die botsing is mijn onderwerp.’ En dat thema kan van hem altijd op een rondborstige behandeling rekenen, vanaf het programmatische gedicht ‘Afscheidsdiner’ uit Van de vierkante man (1998), zijn debuut: ‘serveer mij in roomboter gebakken beelden/ en verzen met boulemie’.

Pfeijffer knikt. ‘Ja, ik weet het nog. Daar had ik natuurlijk over nagedacht, met welk gedicht ik mijn schrijverschap zou openen. Het moest bacchische en chaotische poëzie zijn, niet van die schrieperige amuses die in Nederland voor gedichten doorgaan. Een verstilde haiku hoef je van mij niet te verwachten. ‘Volle, barokke taal, vuurwerk waarvoor je je bed uit wil komen. Geen misplaatste bescheidenheid of schijterige angst om op je bek te vallen. Mensen die durven te mislukken, zijn mij oneindig veel liever.’  Ilja Leonard Pfeijffer: Giro giro tondo, een obsessie. CPNB/Poetry International; 15 pagina’s. Tijdens de Poëzieweek, van donderdag 29 januari tot woensdag 4 februari, gratis bij besteding van euro12,50 aan poëzie. Bij de Arbeiderspers verschijnt komende week Pfeijffers nieuwe bundel Idyllen (euro 21,95).

Over staartje

vrouw- positief ingesteld- op zoek naar humor- geloof in oplossingen: in JA EN en niet in JA MAAR - docent Nederlands- fan van lezen, sauna, studeren, luieren,de zon, lekker eten, samen dingen doen, cultuur en natuur- drie heel leuke kinderen en een geweldige kleinzoon(2013). Vanaf februari 2014 verschijnt er regelmatig een logje met wetenswaardigheden over Schiedam. Niet dat ik daar woon, maar mijn kleinzoon wel.
Dit bericht werd geplaatst in poezie en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Interview Ilja Leonard Pfeiffer

  1. Pingback: Poëzieweek – Ilja Leonard Pfeijffer | apenstaartjeweblog

Reacties zijn gesloten.